Mijn erfgoed in een object
Mijn erfgoed in een object is een werkvorm die verspreid wordt over een langere periode. Hierbij wordt er een planning opgemaakt aan het begin van het schooljaar van alle objecten. Leerlingen brengen telkens om de beurt een object mee naar school dat hun erfgoed representeert en hun cultuur. Aan het begin van elke les worden er dus telkens een 2 tot 5-tal minuutjes de tijd genomen voor een korte presentatie. Daarop worden leerlingen uiteraard ook geëvalueerd.
Geschikt voor de eerste en tweede graad secundair
STap 1
Begrip 'Erfgoed' uitleggen
Vooraleer leerlingen een object kunnen meebrengen is het van belang dat ze weten wat het begrip 'erfgoed' inhoudt.
Daarbij moeten ze de drie verschillende vormen van erfgoed kunnen onderscheiden:
-Onroerend erfgoed
-Roerend erfgoed
-Immaterieel erfgoed
Erfgoed in een object suggereert dus meteen al dat het zal gaan over roerend erfgoed. Als leerkracht stel je best voor dat ze breder mogen denken.
Geef hierbij vooral zelf heel veel voorbeelden. De beste tip is om zelf een voorbeeldpresentatie te geven, zodat leerlingen ook weten wat er van hen verwacht wordt.
Voorbeelden:
Een leerling die een foto meebrengt van een gebouw kan gebruikt worden om onroerend erfgoed te bespreken.
Kledij van een bepaalde cultuur kan worden gezien als roerend, maar ook als immaterieel erfgoed.
Oefeningen in deze eerste les
Doe in deze eerste les eens een oefening waarbij leerlingen verdeeld worden in 3 groepen. Elke groep zoekt erfgoed op binnen hun categorie dat zich bevindt in de stad waar ze naar school gaan.
Laat hen daarnaast discussiëren over hoe erfgoed ook controversieel kan zijn. Je kan er ook voor kiezen om eens de Canon van Vlaanderen te bekijken en na te denken wat zij vinden dat er mist.
STap 2
Volgorde opstellen van leerlingen
Deze werkvorm hoeft dus niet elke geschiedenisles te gebeuren.
Maak als leerkracht of als team een volgorde op van leerlingen waarbij ze al op voorhand moeten beslissen welk object ze willen meebrengen en over welk soort erfgoed het gaat. Bij een goed opgemaakte planning, kan de objectpresentatie quasi in elk vak aan bod komen en kunnen collega’s dit dus ook (kort) evalueren.
Een leerling kan bijvoorbeeld een gerecht meebrengen tijdens de les gezondheidsopvoeding dat kan gedeeld worden met de klas. Daarbij horend vertelt de leerling dan over de culturele achtergrond van het gerecht. In de lessen muziek kan de leerling een muziekinstrument meebrengen dat typisch is voor zijn/ haar cultuur. Dit kan dan vervolgens geïntegreerd worden in het nummer dat ze zullen spelen. Tijdens een wiskundeles kunnen leerlingen een afbeelding meebrengen van een gebouw (immaterieel erfgoed dus) en kan er aan de slag gegaan worden met berekeningen over het gebouw.
Tip
Om de sense of belonging niet in gevaar te brengen kan er best op voorhand een gesprek gebeuren over wat er mogelijk is en wat niet.
Als leerlingen niet de middelen hebben om een object mee te brengen, kan het misschien met gewoon een afbeelding of kan de leerkracht of school helpen.
Leerlingen presenteren dan uiteindelijk hun erfgoed in de vorm van een object. Laat hen creatief zijn qua vormgeven. Ze brengen sowieso een object mee, maar voor hun presentatie kan dit in verschillende vormen:
Het vertellen van een verhaal, een video, foto's in een presentatie, ...
STap 3
Presentaties
Je kan er dan als leerkracht ook voor kiezen om de leerlingen tijdens hun presentaties ook telkens een oefening te laten uitwerken voor het vak waarin ze aan de slag gaan. Zo gaan zij aan de slag als leerkracht en moeten ze (met hulp van de leerkracht eventueel) kort even lesgeven. Dit neemt dan wel meer tijd in beslag natuurlijk. In de les muziek leren ze zo bijvoorbeeld een lied aan in hun taal of van hun achtergrond. Bij wiskunde werken ze een oefening uit over de oppervlakte van het gebouw.
Uitdaging
Evaluatiematrix
LESDoelen
Aan te koppelen sleutelcompetenties: SC 7, 8, 16
De leerlingen onderscheiden de 3 vormen van erfgoed met elkaar, namelijk: onroerend, roerend en immaterieel erfgoed. (bv. 08.08)
(Kan natuurlijk bijna gekoppeld worden aan elke sleutelcompetentie afhankelijk van welke vakken gekozen worden.)
De leerlingen linken erfgoed aan hun eigen culturele achtergrond. (bv. 16.02 & 16.03)
De leerlingen gaan respectvol in dialoog over elkaars objecten en bijhorende culturele achtergrond. (bv. 07.02 & 07.03 & 07.04)